NEDERLANDS
ONREGELMATIGE WERKWOORDEN
VOLTOOID DEELWOORD

INSTRUCTIONS

Complétez les phrases par le participe passé du verbe entre parenthèses!
Instructions
Voir mes erreurs

  1. Weet u dat zijn ouders nu (scheiden) zijn ?
  2. Moeder heeft de handdoeken (wassen).
  3. Maar het is Maria die ze daarna heeft (op.vouwen).
  4. Petra heeft een brood (bakken).
  5. Sonia heeft het antwoord goed (raden).
  6. De kinderen hebben om die nieuwe clown goed (lachen).
  7. Moeder heeft het vlees heerlijk (braden).
  8. Ik heb mijn hoofd (stoten).
  9. Peter is gisteren (vallen).
  10. We hebben een goede avond (door.brengen).
  11. In de vakantie hebben we veel musea (bezoeken).
  12. Aan haar beschaafde manieren kunnen we zien dat ze een goede opvoeding heeft (krijgen).
  13. Ze hebben de match met 5-0 (winnen).
  14. Het elastiek van mijn gymbroek is (springen).
  15. De wedstrijd is net (beginnen).
  16. We hebben een film over wilde dieren (zien).
  17. Gisteren heb ik in de kantine (eten).
  18. Claudia heeft een krant (kopen).
  19. Eenhoorns hebben nooit (bestaan).
  20. Deze vreemdeling is gisteren in Brussel (aan.komen).
  21. De mol heeft een gang onder het grasveld (graven).
  22. De overheid heeft nieuwe maatregelen (treffen).
  23. Sandra heeft onlangs een nieuwe job (vinden).
  24. Alle huisraad werd in de verhuisauto (laden).
  25. Elk jaar wordt er in onze stad een filmfestival (houden).
  26. De naam van het product staat niet op de verpakking (schrijven).
  27. Ze is de laatste tijd heel mager (worden).
  28. De douanier heeft onze bagage goed (onderzoeken).
  29. Heleens haar is kunstig (vlechten).
  30. We hebben een mœilijke taak (ondernemen).
  31. Ze heeft de gast in de huiskamer (laten).
  32. Ik heb alle advertenties uit de krant (lezen).
  33. Ik heb lekker (slapen).
  34. Een insect heeft de jongen (steken).
  35. Is het dier (vangen) ?
  36. Wat hebben jullie (bespreken) ?
  37. Heb je het pakje al (ontvangen) ?
  38. Wat een opluchting dat ik mijn portemonnee heb (terug.vinden) !
  39. Wat vervelend dat je je been (breken) hebt !
  40. Gisteren ben ik (vergeten) om koffie te kopen.
  41. Vanaf gisteren is de hond (verdwijnen).
  42. Waarom ben je zo lang (weg.blijven) ?
  43. Wie heeft de gordijnen (dicht.trekken) ?
  44. Die foto heeft Carla (nemen).
  45. Ze heeft haar zakdoek uit haar zak (trekken).
  46. Zijn gastheer had gedurende de maaltijd niet (zwijgen).
  47. Hij had met kennis van zaken (spreken).
  48. Het is hier (verbieden) te roken.
  49. Bianca heeft haar portemonnee (verliezen).
  50. Zijn ouders hebben het reizen (op.geven).
  51. Het aantal zieke kinderen is deze week flink (toe.nemen).
  52. Hij heeft veel mensen (helpen).
  53. Ik heb zijn tekening (op.hangen).
  54. Zaterdag hebben we een cadeautje voor onze moeder (kiezen).
  55. Donderdag ben ik thuis (blijven).
  56. Ik heb in het nieuwe zwembad (zwemmen).
  57. Een uur lang heb ik naar dat boek (zoeken).
  58. Hij heeft me dat boek (aan.raden).
  59. De stad heeft veel (lijden) onder de oorlog.
  60. Ik ben van de zomer op reis (gaan).
Copyright ©2007-. ~ LDD-Soft.be

Score:
/60