NEDERLANDS - conjugaison : exercice 1

© 2009 - Luc De Droogh - LDD-Soft
A. Complète au temps demandé :
Wat  ?  je zaterdag  ?  (doen/ pas compos) ?
Ik  ?  met mijn vrienden naar het stadcentrum  ?  (gaan/ pas compos).
Wat  ?  je  ?  (kopen/ pas compos) ?
Wel, ik  ?  nieuwe kleren en schoenen nodig (hebben/imparfait).
 ?  je voeten zo  ?  (groeien/ pas compos) ?
Nee, hoor. Mijn schoenen waren  ?  (verslijten/ part passé).
Waarom  ?  je geen leren laarzen  ?  (kopen/ pas composé) ?
Wel, ik  ?  geen geld genoeg. Leren laarzen zijn niet goedkoop (hebben/ imparfait).
Ik moet nog geld hebben voor kerstcadeaus.

B. Complète au temps demandé :
Zeg, wat  ?  je allemaal  ?  (meebrengen/ pas compos) ?
Wel, ik  ?  kleren en nog andere spullen voor mijn stage  ?  ( meenemen)/ pas compos).
Het is zonnig. Het is 30° en je  ?  winterkleren  ?  (kiezen/ pas compos) !
Ik heb het altijd koud en ik draag niet graag zomerkleren !

C. Termine les phrases de manière adéquate !
We zijn gisteravond naar het restaurant  ? .
Thomas, ben je al met je huiswerk  ?  ?
En wat heb je  ?  ? Niets, ik had geen idee.
Waarom heb je geen water  ?  ?
Heeft Philippe zijn vriend met zijn huiswerk  ?  ?
We hebben naar een feuilleton  ? .
Wie is op je feest  ?  ?
Wat heb je voor je verjaardag  ?  ?
Ik heb mijn boek nog niet  ? .