Doen of Maken ?
Auteur : LDD-Soft
Complète par une forme du verbe DOEN ou du verbe MAKEN!
N.B.: le temps est indiqué entre crochets au début de chaque phrase!

Passe la souris sur un mot souligné pour voir sa traduction!
Ne clique sur [Corriger] que lorsque tu penses avoir mis tout ce que tu savais!

01. [ind. prés.]    Moeder gaat boodschappen .
02. [infinitif ]    Ik moet mijn huiswerk nog .
03. [infinitif ]    Kun jij die oefening ?
04. [ind. prés.]    Die winkel goede zaken.
05. [ind. prés.]    Hij zijn best, denk ik.
06. [ind. prés.]    Hoe je het vandaag, Kees?
07. [infinitif ]    Waarom kijk je TV? Heb je niets anders te ?
08. [ind. prés.]    Dat geen pijn, hoor!
09. [ind. prés.]    Vader een kast voor mijn speelgoed.
10. [ind. prés.]    Dat geen verschil voor mij, hoor!
11. [part. pas.]    Hebben jullie al kennis met je nieuwe buren?
12. [impératif ]     niet zoveel lawaai, kinderen!
13. [ind. prés.]    Haar broer geneeskunde.
14. [part. pas.]    Zo gezegd, zo .
15. [infinitif ]    We zullen misschien een omweg moeten .
16. [ind. prés.]    Je niet genoeg aan sport.
17. [impératif ]     je niet ongerust!
18. [ind. prés.]    Wat je deze namiddag, Sara?
19. [part. pas.]    Hij heeft ons een grap .
20. [ind. prés.]    Wie de afwas met mij?
21. [ind. prés.]    Ze veel vorderingen op school.
22. [part. pas.]    Ze hebben de uitslag nog niet bekend .
23. [part. pas.]    Sorry, maar de regen heeft mijn papieren nat .
24. [part. pas.]    Heeft de agent een verslag over het ongeval ?
25. [infinitif ]    Ze wil een wens .
26. [infinitif ]    Kinderen, geen ruzie , hoor!
27. [ind. prés.]    Hoelang je erover om tot in Brussel te geraken?
28. [infinitif ]    In juli gaan we een reis naar Scotland .
29. [infinitif ]    Sorry, ik heb geen tijd; ik heb nog veel te .
30. [ind. prés.]    Vader soms eten voor de hele familie.
31. [impératif ]     eens wat vuur, alsjeblieft! Ik heb het koud.
32. [ind. prés.]    Dat lawaai me zenuwachtig.
33. [impératif ]     eens plaats voor mij, alsjeblieft.
34. [infinitif ]    Wil je deze kaart even op de post ?
35. [ind. prés.]    Dat geen indruk op hem.
36. [part. pas.]    Heb je de deur op slot ?
37. [ind. prés.]    Hij geen onderscheid tussen Vlaams en Nederlands.
38. [part. pas.]    Wie heeft die opmerking ?
39. [part. pas.]    Je geschenk heeft me veel plezier .
40. [impératif ]     niet zo vervelend!
41. [part. pas.]    Die firma heeft dit jaar veel winst .
42. [part. pas.]    Ik heb gisteren mijn eerste examen .
43. [ind. prés.]    De leraar vindt dat ik nog te veel fouten .
44. [impératif ]     hem de groeten!
45. [part. pas.]    We hebben veel foto's !
46. [ind. prés.]    Welke soort experimenten men in dat laboratorium?
47. [part. pas.]    Hij heeft een afspraak bij de tandarts .
48. [ind. prés.]    Geld niet gelukkig.
49. [infinitif ]    Ik wil geen zaken meer met hem .
50. [infinitif ]    Kan je mij om 7 uur wakker ?
51. [infinitif ]    De lamp is kapot. Kan jij ze ?
52. [ind. prés.]    Jouw broer mij altijd lachen.
53. [part. pas.]    Haar broer heeft haar veel verdriet .
54. [ind. prés.]    Het deugd om je stem te horen.
55. [imparfait ]    De zon de temperatuur snel stijgen.
56. [ind. prés.]    Ik nooit melk in mijn koffie.
57. [impératif ]    "Wat zal het zijn?" - " mij maar een pintje."
58. [infinitif ]    Ze proberen een eind te aan de crisis.
59. [ind. prés.]    Die muziek me gek!
60. [infinitif ]    Dat heeft er niets mee te !
.
Generated by GaPeX v.2.2 | Valid XHTML 1.0 | Valid CSS 2.1